Behandeling


Behandeling

De osteopaat kan putten uit een groot scala aan manuele technieken. Deze technieken kunnen worden toegepast op heel het lichaam, zeer lokaal of op een deel. Osteopathische behandelprincipes kunnen op alle bindweefselstructuren worden gericht, zoals spieren, ligamenten, botten, fascia, peritoneale structuren en pleurale structuren.

De osteopaat maakt gebruik van directe of indirecte technieken of een combinatie daarvan. Bij de directe technieken wordt de bewegingsgrens opgezocht en wordt er een activerende kracht uitgeoefend tegen de weerstand van het weefsel in. Deze activerende kracht kan een impuls, fasciale rek, spiercontractie of passief doorvoeren van een beweging zijn. Bij indirecte technieken wordt de bewegingsgrens opgezocht en wordt er een activerende kracht uitgeoefend van de richting van de restrictie weg, tot de spanning van het weefsel in evenwicht is in een of alle richtingen.

Muscle Energy Techniques (MET)

De MET, ook wel myotensieve techniek genoemd, is een directe techniek die de mobiliteit van een gewricht tracht te verbeteren of te herstellen wanneer deze met name verminderd is door een verhoogde tonus van spieren. De osteopaat zoekt de bewegingsgrens en vraagt om spieractiviteit van de cliënt in de tegenovergestelde richting van de beperking. Hier wordt gebruik gemaakt van neuromusculaire re exen om ontspanning van de betrokken spieren te realiseren en zo de mobiliteit in deze regio te verbeteren. Fasciale technieken zijn manuele technieken gericht op alle mogelijke lichaamsfascia. In de osteopathische benadering van fascia kan gebruikt gemaakt worden van diverse componenten zoals druk, rek, positionering, oscillaties en de spierkracht en de ademhaling van de cliënt. De manuele actie wordt voldoende lang aangehouden om een verbetering van de mobiliteit van de fasciale structuur te bewerkstelligen.

Myofasciale release (MFR) technieken

MFR technieken zijn directe fasciale rektechnieken waarbij een mechanische manuele druk wordt gegeven in de richting van de maximale fasciale beperking. De techniek wordt direct in de richting van de beperking toegepast, totdat de weefselbarrière wordt gevoeld. Er vindt geen glijden over de huid plaats en de druk wordt aangehouden totdat ontspanning in de betreffende fascie wordt gevoeld.

9.3 Musculaire stretching

Dit zijn directe technieken waarbij de spieren op rek worden gebracht door de origo en insertie van de spieren uit elkaar te brengen. De rek wordt voldoende lang aangehouden om een verlenging/ontspanning van de spier te bewerkstelligen.

Mobilisatie technieken

Deze worden toegepast in alle mogelijke lichaamsgebieden en op alle bindweefsels. Deze technieken houden het midden tussen HVLA, directe en indirecte technieken, musculaire stretching of oscillaties. Er kan gebruik gemaakt worden van compressie, tractie of de ademhaling of spierkracht van de cliënt. Bij diverse pomptechnieken of springtechnieken wordt gebruik gemaakt van manuele compressie tijdens de expiratie fase. Terwijl deze compressie wordt vastgehouden tijdens het begin van de inspiratie, wordt deze aan het eind van de inspiratie abrupt losgelaten. Bij ‘harmonische technieken’ wordt gebruik gemaakt van een geïnduceerd ritme waarin de mobilisatie wordt toegepast.

High Velocity Low Amplitude (HVLA) technieken

De HVLA techniek is een directe techniek die de mobiliteit van een gewricht tracht te verbeteren of te herstellen. De osteopaat probeert via de HVLA techniek de bewegingsmechanica te herstel- len, de spierspanning te normaliseren (lokaal of op afstand) en zo osteopathische disfuncties te normaliseren. De osteopaat zoekt de bewegingsgrens op en geeft vervolgens een snelle impuls met een zeer klein amplitudo (thrust) binnen de anatomische grens. Vanuit de opleidingen kinderosteopathie wordt benadrukt dat HVLA manipulaties niet bij kinderen uitgevoerd dienen te worden.

Overige technieken

Naast bovengenoemde voornamelijk directe technieken zijn er vele indirecte fasciale technieken die de osteopaat tot zijn behandelarsenaal kan rekenen: spontaneous release technieken (strain and counterstrain), balance ligamentous tension, Still techniek en fascial unwinding. Ook kan een osteopaat gebruik maken van diverse manuele reflextechnieken, waarbij door aanraken van de huid of anderszins reflexen worden uitgelokt zoals bij neuroviscerale en neurolymfatische reflex technieken.

Ook kan de osteopaat bepaalde handelingen aanwenden om de circulatie van de lichaamsvloeistoffen te stimuleren, ook wel fluïdatechnieken of drainagetechnieken genoemd. Een voorbeeld hiervan zijn de lymfatische pomptechnieken om de lymfe circulatie te bevorderen. Circulatie bevorderende technieken kunnen onder andere worden toegepast op de thorax, op het abdomen, cranium en bewegingsapparaat. Drainerende technieken kunnen het accent hebben op fasciale ontspanning of op drainage door gebruikmaking van drukgradiënten. Bij deze technieken kan er gebruik gemaakt worden van ritmische compressie.

Een osteopathische techniek beslaat, rekening houdend met bovenstaande modellen, een aantal dimensies:

    • Een lokale weefseldimensie, ofewel een directe fysische werking op het weefsel: verbeteren van doorbloeding en drainage, aanzetten van reparatieprocessen.
    • Neurologische dimensie: verandering van neurologische patronen, verandering van pijn geleidingsbanen (in de zin van functie).
    • Psychologische dimensie: de osteopathische behandeling is gebaseerd op de werking van de aanraking en de kwaliteit van de therapeutische betrekking (Therapeut-Client-Relatie).

Chapman punten

Een fasciale techniek is de Chapman punten. Zeer lichte druk geven met de middel- of wijsvinger en met rotatoire druk als het ware vloeistof uit een punt te drukken. De behandeling bestaat uit drie stappen:
1. Anterior punten onderzoeken
2. Gevonden anterior punten en bijbehorende posterior punten behandelen
3. Anterior punten opnieuw onderzoeken

Als het nu goed is: stoppen. Als het nog niet goed is: herhalen. Als het dan nog niet goed is: is de pathologie te groot of er is een andere musculo-skeletale factor.

De tijd van behandeling varieert van 20 sec. tot 2 min. Bepalend is of het oedemateus gevoel, de ganglioforme contracties en de gevoeligheid verminderen. Als je overbehandelt, dan put je de re ex uit en verdwijnt het e ect. Chaitow adviseert om de druk geleidelijk op te bouwen in 5-8 sec en dan de druk weer te verminderen in 2-3 sec en dit te herhalen, maar niet langer dan 30 sec. Hij gee ook aan dat het effect enige tijd nodig hee om het ‘homeostatic forces’ te laten intreden.

Verder is het nuttig om re exen in een systeem te behandelen, zoals de endocriene groep (pros- taat, gonaden, ligamentum latum, uterus, thyroïd en bijnieren). Als één van de anterior punten in de endocriene groep positief is dan behandel je de hele groep. De gastro-intestinale groep bestaat uit: colon, thyroïd, pancreas, duodenum, dunne darm en lever. De infectie groep bestaat uit: lever, milt en bijnieren. Daarbij behandel je alleen wat palpabel en gevoelig is.