Lokaal fasciaal onderzoek


Lokaal fasciaal onderzoek

De osteopaat onderzoekt het bindweefsel (specifiek de fasciae) dat bestaat uit extracellulaire matrix (vezels, grondsubstantie en weefselvocht). In deze matrix liggen de bindweefselcellen. Zoals het woord bindweefsel al suggereert, verbindt het alle onderdelen van het lichaam. Het heeft ook eigen specifieke functies. Het vormt de kapsels rond de organen. In het onderzoek wordt voornamelijk de spanning van het weefsel onderzocht, zowel cranium, parietaal als visceraal.

Visceraal onderzoek

De belangrijkste lichaamsdelen om te onderzoeken in de hals zijn:

Ligamentum suspensorium pleurae

Deze drie ligamenten hechten de cervicothoracale diafragma aan costa 1 en de cervicale wervels.
Dit zijn de:
• ligamentum costo-pleurale: deze gaat van binnenzijde aan posteriori zijde van costa 1 naar het bovenste deel van het suprapleurale membraan;
• ligamentum vertebro-pleurale: deze gaat van de prevertrebrale aponeurose van C6, C7 en Th1 naar het binnenste gedeelte van het suprapleurale membraan;
• ligamentum transverso-pleurale: deze gaat van de processus traversus C7 naar het laterale deel van het suprapleurale membraan.
Deze ligamenten zijn moeilijk te isoleren, maar als er voldoende spanning is kunnen ze gemakkelijk worden gevoeld. Dit gebeurt met de cliënt in ruglig en de behandelaar achter zijn hoofd. De test wordt beschreven aan de rechterzijde van de cliënt:
Om de palpatie te vergemakkelijken, til het hoofd van de cliënt iets op en maak een lateraal exie naar rechts, met je rechter duim voor de m. trapezius op het niveau van Th1, dat wil zeggen van de ligamentum costo-pleurale. Als deze duidelijk is gevoeld, beweeg dan de duim naar voren door een boog van een cirkel te visualiseren en in voorwaartse richting het volgende ligament te isoleren. Dit zal eerst het ligamentum transverso-pleurale en vervolgens het ligamentum vertebro-pleurale zijn. Deze palpatie kan worden uitgevoerd met de cliënt in zit, maar dit zal moeilijker zijn vanwege de andere op spanning zijnde overlappende fasciae. Vergeet niet dat de cervicothoracale ganglion dichtbij het ligamentum costo-pleurale ligt, en dat dit ligament zich splitst in twee takken voordat het aanhecht aan het suprapleurale membraan. De Th1 wortel loopt door deze twee takken (plexus brachialis).

Oesophagus

De belangrijkste bewegingen van de slokdarm zijn:
• Stretching en algemene mobilisatie in het pharynx gebied die de schedelbasis, tong, hyoidale en thyroidale bewegingen volgen.
• Licht longitudinale glijden tegen de posterior zijde van de trachea en posterior zijde van het hart.
• Op en neer schuiven door de hiatus diafragmatica.
• Rechten en terugbuigen van de J-vormige cardiale gedeelte van de oesophagus bij het bereiken van de maag.

3.2 Viscerale mobiliteitstesten
1. Hyoïd test
2. Thyroïd test
3. Hyoïd-Cricoïd test
4. Trachea
(Afkomstig uit Liem, et al., 2013)

Hyoid

1. Cliënt in ruglig.
2. Osteopaat stabiliseert met de ene hand het hoofd op de frontale regio of op het os occipitale en de andere hand pakt voorzichtig het os hyoid.
3. Neem het hyoid met de duim en indexvinger vast aan de laterale zijde en test in latero-laterale richting.
Onderzoeksvragen: eindgrens, ROM, eindgevoel, restrictie.

Thyroid

1. Cliënt in ruglig.
2. Osteopaat stabiliseert met de ene hand het hoofd op de frontale regio of het os occipita-
le en de andere hand pakt voorzichtig het cartilago thyroidea.
3. Neem het cartilago thyroidea met de duim en indexvinger vast aan de laterale zijde en test in latero-laterale richting. Onderzoeksvragen: eindgrens, ROM, eindgevoel, restrictie.

Hyoid-cricoid

1. Cliënt in ruglig.
2. Osteopaat neemt met de ene hand het hyoid vast en de andere het cricoid. 3. Test in latero-laterale richting en beoordeel cartilago.
Onderzoeksvragen: eindgrens, ROM, eindgevoel, restrictie.

Trachea

De belangrijkste bewegingen van de longen zijn:
• torsie bewegingen langs de wanden van de bronchiën moet elastisch zijn en niet inter-
fereren met normale bronchiale beweeglijkheid en stretch.
• de trachea moet kunnen glijden, superior en inferior, met respectievelijk nekextensie en -flexie.
• de longen moeten naar anterior schuiven in de costomediastinale recessus en inferior in de costodiaphragmale recessus met inspiratie.
• de lobben van de longen moeten over elkaar kunnen schuiven om algemene respiratoire bewegingen en globale romp en borstkas bewegingen te kunnen maken. Onderzoeksvragen: eindgrens, ROM, eindgevoel, restrictie.

Een techniek voor de trachea kan toegang krijgen tot de thyroid, de infrahyoidale weefsels en fascia cervicale media en de trachea en het begin van de oesophagus. Het kan deze weefsels ba- lanceren met het sternum en anteriore borstkas en mediastiale weefsels. De craniale hand maakt contact met de zijkanten van de thyroid en/of hyoid kraakbeen, net zodat het achterste zachte weefsel (de trachea) wordt betrokken als deel van het contact. Het is belangrijk niet de anterior keel te comprimeren of druk nabij of op de carotis schede te geven. De caudale hand neemt con- tact met het sternum en manubrium om de infrahyoidale zachte weefsels en de cervicale fasciae erbij te betrekken. Ook kan door de lagen van de borstkas gevoeld worden om contact te krijgen met het pericardium of de splitsing van de trachea. A ankelijk van de diepte van het contact
aan de borstkas, kunnen verschillende weefsels worden geëvalueerd in combinatie met beweging van de craniale hand. Betrek de weefsels van ‘boven naar beneden’. Een functionele unwinding of balancing techniek is handig tussen deze twee contacten, zoals een lichte tractie of verticale stret- ching, om lichtjes release van de trachea naar de onderkaak te krijgen. Dit zal op subtiele wijze de trachea verlengen en kan worden gebruikt als so tissue stretch om irritatie te verminderen binnenin de trachea. Stretch van de infrahyoidale spieren is ook nuttig en kan helpen bij het ver- beteren van de hyoidale mobiliteit, die noodzakelijk is voor de tong functie, als ook keel drainage en de bovenste mediastiale balans (evenals de aanhechtingen aan de schedelbasis).

Fascia cervicalis super cialis en media

De fascia cervicalis media (FCM) loopt van het hyoid naar de posterior zijde van de clavicula en het sternum. De zijkanten bekleden de m. omohyoideus en het is doorlopend met de fascia cervicalis super cialis (FCS) en fascia profunda (FP) van de anterior rand van de m. trapezius. Aan de voorzijde is de FCM aaneengesloten met de FS tot aan de onderkant van de larynx. Ver- der naar onderen separeren de twee fasciae zich om de ruimte onder het sternum te de niëren waardoor de v. jugulare anterior passeert.
Op het niveau van de anterior nekspieren splitst de FCM zich in een super ciale blad voor de m. sternocleidomastoideus en m. omohyoideus en het diepe blad voor de m. thyrohyoid en m. sternothyrohyoideus.
Uitbreidingen vanuit zijn diepe laag, maken contact met de peripharyngeale membranen en de vasculaire bundels van de nek die de volgende structuren omgeven: de a. carotis communis, de v. jugulare internen en de n. vagus. Elke component hee ook weer zijn eigen schede. Het gee ook een verlenging/uitbreiding naar de glandula thyroidea en draagt bij aan de fascia van dat orgaan. In de inferior, het laterale deel, na de aanhechting aan de clavicula, zijn er zeer sterke uitbreidin- gen naar de vena brachiochephalica en de v. subclavius, welke de venen open en op hun plaats houden. De FCM breidt zich uit naar causaal in de anterior gedeelte van de thorax in de vorm de fascia endothoracica (FE).

De voorzijde van de fascia prevertebrale (FP) bekleedt de prevertebrale spieren van de nek en zit vast aan:
• superior van het basilaire deel van het occiput.
• lateraal van de processus transversus van de cervicale wervels waar het doorloopt in de aponeuroses van de scalenii. Hier komt het samen met de diepe kant van de FS voor de anterior rand van de m. trapezius en de FCM. Hierdoor verdeelt het de viscerale schede vooraan van de musculaire schede van de nek achteraan.
Anterior van de mediaanlijn is verbonden met de pharynx en de oesophagus via een losmazig cellulair weefsel. Lateraal breidt het zich uit naar de a. carotis, de v. jugularis internen en de n. vagus, als ook naar de anterior takken van de spinale zenuwen welke zijn bekleed door de FP. De fascia endothoracica (FE) begrenst de binnenkant van de borstkas, gelegen interior van de ribben en de mm. intercostales interni die vastzitten via breuze connections. Het bedekt de pleurale dome en hecht aan aan de eerste rib, zeker sterk aan de posterior zijde ervan. Aan de voorzijde is het ook aangehecht aan de schede van de a. subclavius (hiermee heb je een link met de FCS). Hier verdikt het duidelijk om een breus septum transversus te vormen voor de op- hanging van de pleura, te weten de:
• lig. costopleurale
• lig. pleurovertebrale
Hiermee is te herleiden waar je als therapeut werkt wanneer je een onderzoek doet via het hyoid of op het niveau van de retropharyngeale en retro-oesophageale glijvlakken, direct anterior van de processi transversi.

Andere viscerale testen
Chapman punten

Re expunten worden gebruikt voor: • diagnose
• beïnvloeden van vloeistof beweging m.n. van het lymfe
• viscerale functie beïnvloeden (volgens Chaitow meer om te checken of je andere (viscerale) technieken effect hebben).

Punten in de diepe fascia bestaande uit gevoelige ganglioforme contracties. De omvang varieert van ca. 2 mm tot 1 cm. Pijngevoeligheid varieert ook. Het diep in de spierbuik van de m. Rectus femoris gelegen Chapmanpunt voor de bijnier gee meer het gevoel van een acute gecontraheer- de regio en kan bij infecties zeer gevoelig zijn. De posterior punten voelen meer oedemateus met een ‘stringy feel’ dieper dan de anterior punten.
Verwarrend is dat bepaalde anterior punten posterior liggen. Dit zijn: haemorrhoiden cerebellaire congestie, leucorrhoea en salpingitis.

Listening

Je kunt op meerdere manieren testen. Hier worden twee vormen besproken: de Global Listening (GL) en de Local Listening (LL).

Global listening

Om een juiste listening te doen en hieruit een uitspraak te kunnen destilleren, is het belangrijk deze te valideren. Validatie is het controleren van een waarde of een methode op geldigheid of juistheid. Hiervoor dien je de test te standaardiseren.
Hieronder is beschreven hoe je de GL kunt uitvoeren:
• contact maken door te melden dat je je hand op het hoofd en interscapulair gaat leggen
• ga zijdelings van cliënt staan zodat je handen losjes zijn
• sta op ongeveer 30 cm afstand van de cliënt (net op de rand van de warmte van de cliënt)
• voel je vrij om te bewegen als je beweging test
• hand boven het hoofd plaatsen, nog NIET erop leggen
• cliënt in ontspannen toestand brengen door bijvoorbeeld naar een boom/foto te laten kijken
• de cliënt ademt in en houdt dit vast, vervolgens
• de cliënt ademt uit en sluit de ogen. De handen dienen richting hoofd en interscapulair
te gaan (top dig. III C7 of Th12 of coccyx standaardiseren). De osteopaat sluit ogen maar ademt NIET uit. Maak pas contact bij de uitademing met een losse pols.

Als je de GL in stand gedaan hebt, voer je deze ook uit in zit en daarna in lig.

In zit:

• voeten los van grond of easy sitting (voeten op de grond maar 90% van je lichaam
steun op de bank)
• armen langs het lichaam
• rechtop zitten
• bij uitademen ontspant de cliënt
• de exie zal eerst naar normaal oorspronkelijke stand gaan.
Dan volgt de fasciale verandering

Ruglig:

• één hand op het sacrum en de andere op het occiput
• geef lichte compressie en vervolgens de cliënt laten uitademen.
Dan volgt de fasciale verandering.

Local Listening

De fysiologische bewegingen van viscera kan in twee componenten verdeeld worden: (1) viscerale mobiliteit (bewegingen van de viscera in reactie op vrijwillige bewegingen, of op beweging van het diafragma in respiratie) en (2) viscerale motiliteit (inherente/eigen beweging van de viscera zelf).

Barral beschrijft in het boek Visceral Osteopathy global listening als ‘het essentiële klinische onderzoek om de assen en de amplitude van de motiliteit van een orgaan te testen’. De hand van de osteopaat ligt op het lichaam van de cliënt en oefent volgens de geteste druk uit, variërend van 20 tot 100 gram. De hand kan, volgens de vingerzetting, talrijke vormen aannemen en zich zo aan de vorm van het orgaan aanpassen. De hand is helemaal passief. Tijdens dit onderzoek is er geen enkele ‘mentale projectie’ bij de osteopaat. De osteopaat laat zijn hand passief volgen wat het voelt: een trage beweging, met een zwakke amplitude, zal omhoogkomen, ophouden en weer beginnen. Dit is de motiliteit. Na enkele bewegingen zal de osteopaat het ritme en de frequentie van de geteste viscerale mobiliteit proberen te bepalen (bron: Barral, J.-P. and Mercier, P (1988): Visceral manipulation. Seattle: Eastland Press, 21).
Bij de local listening zijn van belang de:
• tijd
• snelheid
• diepte en richting